Verslag van Discussiebijeenkomst Status IJmeerverbinding in Planstudie Hoofdwegverbinding Schiphol- Amsterdam- Almere
Datum verslag: 4 mei 2004
Datum bespreking : 13 april 2005
De voorzitter van hedenavond, de heer B. Spaargaren heet allen van harte welkom. Hij geeft aan dat V&W blij is dat het op zo'n korte termijn mogelijk bleek deze avond te kunnen organiseren.
Hij geeft vervolgens kort de opzet van de avond aan:
Allereerst zal de heer M. Ruis (Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Directoraat Generaal personenvervoer) kort het doel van deze avond aangeven in relatie tot de uit te voeren Planstudie Schiphol - Amsterdam - Almere. De volgende hoofdvraag staat vanavond centraal:
Kan een IJmeerverbinding een volwaardig alternatief zijn voor het Stroomlijn- of A6/A9 alternatief?
Vervolgens zal mevr. S. Konijn (Rijkswaterstaat) ingaan op de inhoudelijke achtergrond en keuzes welke gemaakt zijn in de startnotitie voor de Planstudie.
Hierna zullen achtereenvolgens de bewonersorganisaties, de Milieu organisaties, bedrijfsleven en tenslotte de decentrale overheden de gelegenheid krijgen kort hun standpunt aangaande de voorliggende keuze toe te lichten.
Welke keuze ligt nu voor en waarom?
De heer M. Ruis geeft aan in welke fase van het proces we ons momenteel bevinden:
In de startnotitie is de door de initiatiefnemer (Rijkswaterstaat) aan het bevoegd gezag (V&W en VROM) voorgesteld twee hoofdalternatieven te gaan onderzoeken (stroomlijn alternatief en A6/A9 alternatief, mede op basis van MIT verkenning Nieuwe stijl). Een eventuele IJmeerverbinding wordt als scenario in de studie meegenomen.
Gisteren zijn in een interdepartementaal overleg de conceptrichtlijnen goedgekeurd, zodat de richtlijnen ter ondertekening aan de ministers van VROM en V&W kunnen worden aangeboden, op echter een belangrijk onderdeel na:
Moet de IJmeerverbinding als volwaardig alternatief in de Planstudie worden meegenomen? Vooralsnog is het standpunt van het Rijk hierin ontkennend.
Naar aanleiding van de inspraak op de startnotitie is door verschillende partijen naar voren gebracht dat een IJmeerverbinding, die gedimensioneerd wordt als rijksweg, een rëeel alternatief kan zijn voor de twee hoofdalternatieven die zijn voorgesteld.
Na vaststelling door het bevoegd gezag zullen de richtlijnen enkele maanden ter inzage worden gelegd. Alle insprekers zullen een brief van de minister van Verkeer en Waterstaat ontvangen waarin nader op de vastgestelde richtlijnen zal worden ingegaan en de communicatie daarover.
Gevraagd wordt naar de status van het overleg. Deze bijeenkomst heeft op zich geen formele status, maar kan gezien worden als een informatie onderdeel waar het bevoegd gezag behoefte aan heeft bij het opstellen van de richtlijnen. De formele inspraak op de startnotitie heeft inmiddels plaats gevonden en is van invloed geweest bij het opstellen van de richtlijnen.
Enkele deelnemers maken bezwaar tegen de beperkte vraagstelling van de avond. Waarom wordt er niet gediscussieerd over andere alternatieven (Openbaar vervoeralternatief, A6/A9-alternatief)?
Feiten en cijfers, het standpunt in de startnotitie.
Mevr. S. Konijn gaat vervolgens nader in op de conclusies uit de MIT verkenning Haarlemmermeer Almere en de mede hierop gebaseerde keuzes voor te onderzoeken alternatieven, welke in de startnotitie Schiphol - Almere staan genoemd.
Mevr. Konijn geeft aan dat uit eerdere studies blijkt dat de IJmeerverbinding (weg) niet als volwaardig alternatief gezien kan worden. Erkend wordt dat de verklaring waarom men tot deze conclusie is gekomen niet helder uit de startnotitie blijkt.
Mevr. Konijn geeft aan dat een IJmeerverbinding (weg) op zich een bijdrage levert aan de oplossing van het probleem, maar dat deze oplossing onvoldoende is. De problematiek bij o.a. de Gaasperdammerweg blijft volledig bestaan.. Een aan de deelnemers toegestuurde notitie gaat hier nader op in.
Op dit moment worden overigens wel degelijk studies over een eventuele IJmeerverbinding uitgevoerd. (zowel regionaal als nationaal (Zuiderzeelijn) voor zowel OV als weg). Natuurlijk zullen deze studies zowel inhoudelijk als procedureel met de Planstudie worden afgestemd.
Gevraagd wordt waarom geen apart Openbaar Vervoeralternatief in de planstudie zal worden meegenomen. De heer Ruis geeft aan dat in de MIT verkenning nagegaan is in hoeverre het openbaar vervoer de problematiek op de weg kan oplossen. Uit deze MIT verkenning bleek dat ook bij vergaande openbaar vervoerinvesteringen de problematiek op de weg aanwezig bleef. De heer Ruis geeft aan dat in de richtlijnen nu wel een Nulplusalternatief, als te onderzoeken alternatief, is opgenomen waarin, naast de maatregelen uit het nulalternatief, tevens een vorm van “betalen voor Mobiliteit” zal worden meegenomen.
Vanuit de vereniging Vecht voor de Vecht (dhr. K. Neervoort en Mevr. D.J. Walen) . wordt aan het ministerie van Verkeer en Waterstaat gevraagd een fundamentele discussie te starten over de rol van het openbaar vervoer.
De hr. Tj. de Boer (Vereniging Spaar het Gein) ziet de samenhang tussen regionale en rijksoverheden niet en houdt vervolgens een pleidooi voor gezamenlijke verantwoordelijkheid en goede samenwerking.
De hr. T. Buffing (Gemeente Amsterdam) geeft aan dat er wel degelijk door de overheden wordt samengewerkt , zowel op regionaal niveau (Platform bereikbaarheid) als tussen de regionale overheden en het rijk.
Reacties uit de inspraak/advies
4.1 Bewoners organisaties /Belangengroepen
Actiegroep geluidshinder Gaasperdammerweg (AGG, De hr. R.Duvivier en Mevr. L. Wesseling ):
Naast economie en natuur wordt ook aandacht gevraagd voor de mensen zelf. De bewoners en omwonenden en hun woon- en leefklimaat. De lokale weg is al eerder
“opgewaardeerd” met alle gevolgen voor het leef- en woonklimaat van dien (o.a. lucht en geluidsproblematiek). Verdere uitbreiding is hier gewoonweg niet meer mogelijk.
Voor AGG is daarom zowel het stroomlijnalternatief als het IJmeeralternatief geen goed alternatief.
Werkgroep Ijmeerbrug (de hr. C. Odijk en Mevr. X. Lammers):
De werkgroep ziet vanuit leefbaarheidsmotieven liever geen IJmeerverbinding. Als het alternatief ten zuiden van IJburg zou komen is de leefbaarheidsproblematiek voor IJburg al veel minder een probleem. De werkgroep ziet echter wel problemen i.v.m. Vogel en Habitatrichtlijnen, inpassing en gevolgen voor IJburg . De werkgroep gaat in principe Akkoord met een scenario benadering mits de tracés niet via Ijburg zullen gaan lopen.
Vereniging Vecht voor de Vecht (Mevr. D. J. Walen en Dhr. K. Neervoort):
De vereniging heeft op zich waardering voor het initiatief van deze avond. De werkgroep heeft echter veel moeite met de volgens de werkgroep verkeerde manier van denken van het rijk en de regio om problematiek op te willen lossen. Het probleem is het faciliteren van woningbehoefte in regio Amsterdam, waarvan Almere een belangrijk onderdeel is. Hoogwaardig regionaal openbaar vervoer is hierbij van belang, zie ook de studie van Amsterdam. Geen discussie over de weg zonder openbaar vervoer. De werkgroep is voorstander van een IJmeerverbinding (OV) uitgevoerd als tunnel.
Ton Buffing geeft vanuit de regionale overheden aan dat de regionale overheden inderdaad een bepaalde kwaliteit van het regionale openbaar vervoer voorstaan (zie ook regionale studie). De regionale overheden onderschrijven echter wel degelijk de behoefte aan toename van de capaciteit op het (hoofd-) wegennet.
Vereniging Spaar het Gein (De hr. Tj. de Boer)
Vanuit de vereniging Spaar het Gein wordt door de heer Tj. De Boer aangegeven dat de vereniging problemen heeft met de uitgangspunten van de studie. Hij verzoekt om toch te zoeken naar een breder kader: Niet alleen met asfalt het bereikbaarheidsprobleem proberen op te lossen. De behoefte aan een breder kader geldt ook voor de te onderzoeken alternatieven.
Weesp tegen A6/A9 (Mevr. B. van der Heide en Mevr. X. Wentink).
Weesp tegen A6/A9 vraagt zich af waarom de IJmeerverbinding nu al van tafel is als alternatief in de Planstudie ? De argumenten tegen een IJmeerverbinding gelden toch ook voor A6/A9-verbinding. De IJmeerverbinding staat verder ook op de agenda bij de regionale overheden. Dadelijk is er een eigen plan van Rijk en een eigen plan van regio zonder goede afstemming.
Eigenlijk is Weesp tegen A6/A9 tegen extra asfalt dus ook tegen een IJmeerverbinding (weg).
Verder worden enkele adviezen gegeven: Zoek meer naar bundeling van de ellende.
Geef meer ruimte voor innovatieve oplossingen.
IJmeer als ondertunneling wel meenemen?
4.2 Milieu organisaties
Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten (De hr Hassefras):
De hr Hassefras heeft behoefte aan een nut- en noodzaakdiscussie.
Wat gebeurt er nu met regionale studie weg door het IJmeer?
Is deze regionale studie alleen verkeerskundig? Of worden ook effecten op milieu (VHR ed?) zoals bij een m.e.r. –studie in beeld gebracht? De heer Hassefras vraagt zich af of het onderzoeken van milieu effecten bij de regionale Ijmeerverbindingsstudie niet te vrijblijvend wordt opgepakt en heeft geen vertrouwen in deze procedure.
De hr. T. Buffing geeft vanuit de regionale overheden aan dat wel degelijk afstemming plaats vindt zowel tussen nationale plannen (ZZL, planstudie, in Programma Noordvleugel) als met regionale plannen (regionale studie incl. milieueffecten). In de regionale verkenning verbinding IJmeer zullen wel degeljk de milieu effecten worden betrokken.
De hr. Hassefras constateert dat het Rijk een integraal besluit wil nemen. Hij constateert dat dan alle alternatieven goed in beeld moeten worden gebracht, dan pas is een evenwichtig besluit mogelijk.
Ijsselmeervereniging (De hr. .M. Bierman en de hr. J. Baron).:
De heer M. Bierman Ziet niets in een IJmeerverbinding en beschouwt het als een niet haalbaar alternatief. Uit de natuur- en milieueffecten zal blijken dat volgens de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn er significante effecten zijn en er alternatieven zijn, zodat een verbinding door het IJmeer niet kan. Verder dient er meer aandacht te worden besteed aan de mogelijke oplossingen die het openbaar vervoer kan bieden.
4.3 Bedrijfsleven
Kamer van Koophandel (Amsterdam, Gooi- en Eeemland en Flevoland) (de hr. G.P. Wagenmakers):
Op basis van de MIT verkenning Nieuwe Stijl blijkt dat extra weginfrastructuur noodzakelijk is om de problematiek op de weg daadwerkelijk te kunnen beperken (naast allerlei andere maatregelen welke eveneens in de verkenning aan bod komen).
Een eventuele Ijmeerverbinding heeft niet dezelfde functie als een A9.
Een IJmeerverbinding zal een meer lokale/regionale functie gaan krijgen en een A6/A9 verbinding kan de A10 ontlasten en zal als meer regionale/nationale verbindende route gaan functioneren. Daarom is de IJmeerverbinding geen volwaardig alternatief voor uitbreiding van A6/A1/A9.
VNO NCW West (de hr. J.J. Beelaerts van Blokland):
Naast instemming met de opmerkingen van de Kamer van Koophandel wordt aangegeven dat naast een IJmeerverbinding ook een investering in A1/A6/A9 noodzakelijk is.
4.4 Regionale overheden
Gemeente A'dam (De heer Kuik):
Kort wordt de regionale visie weergeven. De problematiek is breder dan alleen bereikbaarheid over de weg. Het gaat om majeure verstedelijkingskeuzes (Almere) met relaties naar (ruimtelijk en economisch) beleid voor wonen en werken. Voor volwaardige ontwikkeling van Almere zijn investeringen in zowel de weg als OV noodzakelijk.
Kort wordt verwezen naar de besluitvorming welke in Uitwegverband is genomen: Voorkeur voor stroomlijn tracé (randvoorwaarde betreffende de Gaasperdammerweg), geen snelweg door IJmeer en aanvullend openbaar vervoer. IJmeerweg is geen alternatief voor stroomlijnalternatief.
Erkend wordt dat capaciteit van het snelwegennet ontoereikend is en dat daar zoals nu aangekondigd in de startnotitie nadere studie op dient plaats te vinden.
Daarnaast neemt de regio haar eigen verantwoordelijkheid aangaande regionale studies betreffende het regionale openbaar vervoer en regionaal wegennetwerk.
Goede afstemming tussen rijk en regio over en weer is noodzakelijk en vindt in toenemende mate plaats.
Conclusie
De heer Ruis (V&W,DGP) vat de conclusie van hedenavond als volgt samen:
Uit de discussie bleken de meningen verdeeld te zijn (geen eenduidig advies), echter het grootste gedeelte van de aanwezigen heeft aangegeven uiteindelijk tegen het opnemen van een IJmeerverbinding als volwaardig alternatief binnen de Planstudie te zijn. De redenen om de IJmeerverbinding al dan niet mee te nemen blijken overigens divers.
Ook diverse andere onderwerpen zijn vanavond aan bod geweest, zoals de behoefte aan een heldere en duidelijke probleemanalyse en de conclusie waarom tot de gekozen alternatieven is gekomen. De behoefte aan discussie over openbaar vervoer is duidelijk naar voren gekomen. Tevens is gevraagd naar de verhouding tussen regionale overheden en rijk en de relatie van het besluitvormingsproces van de Planstudie met diverse andere besluitvormingstrajecten zoals de Zuiderzee lijn, de regionale studie IJmeerverbinding, maar ook de relatie met de besluitvorming omtrent het openbaar vervoer in het algemeen.
Tenslotte meldt de heer Ruis dat de scope van hedenavond slechts over een beperkt deel van de Planstudie is gegaan. Bij het opstellen van de Richtlijnen zijn natuurlijk de volledige inspraakreacties, welke al eerder schriftelijk zijn ingediend, betrokken.